
We schrijven 1985, Atari brengt de ST260 op de markt, als ik me niet vergis een van de eerste thuiscomputers met muis. Een jaar later is mijn studie als gevolg van een opspelende darm en een pre-doctorale depressie in een dipje geraakt. Om te voorkomen dat mijn nog te schrijven scriptie in vele versies overgetypt zal moeten worden -hetgeen de motivatie niet ten goede zou komen- besluit ik tot de aanschaf van een computer en kruist de Atari ST mijn pad.

Een toetsenbord annex computer (zonder harddisk), een diskdrive (single-sided diskettes met maar liefst 360.000 bytes ruimte) een monochroom monitor, en een wonder van een muis. Zie daar de Atari ST 260.

Met prachtige software: een tekstverwerker die alles doet wat ik wil, een tekenprogramma, een schaakprogramma (PSION Chess), een bioritmeprogramma (mijn bioritme houdt plotsklaps op op 31 december 2099, maar dat zal wel een millenniumbugje zijn), en natuurlijk Eliza (mijn eigen persoonlijk psychiaters assistente, maar helaas niet al te slim).

Inmiddels schrijven we 2001. De Atari staat al jaren op zolder. Opgeborgen maar niet vergeten, want ik heb er veel plezier aan gehad. Het systeem heeft het niet gehaald. Nu schrijf ik op een ‘Windows 98 met pentium III inside’-machine het laatste eerbetoon aan mijn Atari ST. Nog één keer print ik de pennevruchten uit van mijn eerste computertijdperk (tot verwondering van de kat die nog nooit een matrixprinter heeft gezien). Rest nog de laatste tocht: naar Allard Schaap’s Computermuseum Groningen.

Geef een reactie